Expeditie Beagle

Evolutietheorie

De evolutietheorie bestaat uit een aantal ingrediënten en samengevoegd vormen deze het mechanisme waarmee het leven van een ééncellig organisme tot complexe vormen zoals de mens heeft kunnen evolueren.

Natuurlijke variatie
Survival of the fittest
Overerving
Verdieping


dalmatiersAls je naar een groep Dalmatiërs puppies kijkt, zul je zien dat geen enkele pup hetzelfde vlekkenpatroon heeft. Ze zijn allemaal net iets anders. Bij mensen werkt dat ook zo, ieder mens heeft bijvoorbeeld een eigen, unieke vingerafdruk. Dit is de eerste belangrijke waarneming: alle dieren en planten van dezelfde soort zijn net iets anders. Dit wordt ook wel natuurlijke variatie genoemd.


Het leven op aarde valt niet mee. Voor een mus bijvoorbeeld liggen er allerlei gevaren op de loer en is voedsel ook niet overal te vinden. Kortom, de mus moet strijden om te overleven. Nu combineren we deze strijd om het bestaan met het eerste ingrediënt, de natuurlijke variatie tussen individuen van dezelfde soort. Een mus die hard kan vliegen om te ontsnappen aan een roofvogel zal meer kans hebben om te overleven dan een mus die niet zo snel kan vliegen. Zo werkt het voor alle dieren en planten. Het individu dat het beste is aangepast aan zijn omgeving zal meer kans hebben om te overleven. Dit wordt ook wel ‘survival of the fittest’ genoemd (“to fit” betekent hier dus “passen”).


MendelHet laatste ingrediënt dat nodig is voor evolutie is overerving. Gregor Mendel wordt wel gezien als de vader van de klassieke genetica. Hij experimenteerde met het kruisen van verschillende kleuren en vormen erwten en bloemen en ontdekte dat deze uiterlijke kenmerken doorgegeven kunnen worden aan de nakomelingen. Voor het voorbeeld van de mus die sneller kon vliegen betekent dit dat het meer kans heeft om te overleven en daarom meer tijd heeft om vruchtbare nakomelingen te krijgen. Op die manier kan de eigenschap om snel te kunnen vliegen door worden gegeven aan zijn nakomelingen en zich langzaam verspreiden onder de populatie mussen. Als selectiedruk op vliegsnelheid blijft bestaan zullen na een tijd alle mussen sneller kunnen vliegen.

Deze genetische factor was van groot belang voor de theorie van Charles Darwin. Later zijn veel wetenschappers gaan twijfelen aan de experimenten van Mendel omdat deze bijna té goed bewezen wat zijn theorie voorspelde. De experimenten werden vele malen opnieuw uitgevoerd en hoewel hier nooit dezelfde mooie resultaten uitkwamen, bleek de theorie van Mendel wel te kloppen. Daarom wordt hij meestal niet als fraudeur bestempeld maar blijven zijn resultaten nog steeds een mysterie.

Samengevat:

1. Individuen in een populatie vertonen verschillen in een of meer eigenschappen: natuurlijke variatie.

2. Deze verschillen moeten een genetische basis hebben: overerfbaarheid

3. En moeten verschillen in overlevingskansen veroorzaken: survival of the fittest.














korstmos
De eerder beschreven evolutietheorie wordt ook wel de klassieke evolutietheorie genoemd en gaat uit van verticale genenoverdracht, dit wil zeggen dat soorten veranderen door het overerven van eigenschappen van ouders op nakomelingen. Wetenschappers hebben nu aangetoond dat in evolutie horizontale genenoverdracht in het verleden ook erg belangrijk is geweest. Horizontale genenoverdracht houdt in dat soorten een symbiotische relatie hebben met een andere soort. Dit kan via endosymbiose, waarbij een cel een andere cel in zich opneemt, zoals gebeurde bij het ontstaan van eukaryoten. Een bekend voorbeeld van symbiose is een korstmos. Een korstmos bestaat eigenlijk uit twee organismen, namelijk een schimmel die samenwerkt met een groenwier of een blauwalg. Door deze samenwerking hebben beide organismen een grotere kans op overleven, en op deze manier kan dus ook evolutie plaatsvinden.